Haiku uit Stille Vijver
door
Siem van den Nieuwendijk

Het zwaluwvolkje
onder dakgoot weergekeerd
op vroege morgen
 

Op lentemorgen
kussen de karpers smakkend
op waterplanten
 

De witte vlinder
ontworsteld uit grauwe pop
dansend in de zon
 

Op late avond
van einde of nieuw begin
zingen nachtegalen
 

De eerste bloesems
vallen uit de pereboom
twee witte vlinders
 

De witte vlinder
parfumeerde haar vleugels
op perebloesem
 

De merels zingen
maar als ik ze ga zoeken
staken zij hun zang
 

Moeder fuut met jong
parel drupp’lend verenkleed
rimpelend water 
 

Vervlogen lente
nu pas ken ik dankbaarheid
voor blijde dagen
 

 De blauwe reiger
verschalkt rustig mijmerend
de snelle vissen
 

Een zomerse dag
groene kikker op een blad 
zonder te zoeken

 

De zomeravond
wordt door twee nachtegalen
in slaap gezongen

 

De geur van zomer
weide gedrenkt in parfum
lieflijke mesthoop

 

Zomer strandplezier
mijmerend over waar geluk
twee mooie benen

 

Op het drukke strand
waterijs in rood papier
blijde kinderhand

 

Op zomeravond
vind je van het strandplezier
sporen in het zand

 

Hollandse zomers
scheiden met regengordijn
duinen van het strand

 

Een meesterstukje
door dauwdruppels vervolmaakt
ragfijn spinneweb

 

Op zomeravond
klinkt over verlaten strand
het lied van de zee

 

Het verdorde gras
wuift in de zomerwind
naar regenwolken

 

Drijvende zon
op toppen van de golven
verkondigt de nacht

 

Laatste zonnestraal
door kalme zee ontvangen
een purperen gloed

 

In storm en regen
blonde jongen in rode kano
midden op de Zaan

 

Met eerste herfstwind
schep ik wat stukjes zomer
in mijn vuilnisbak

Uit stille vijver
in samenzijn gevangen
dronken zij de maan

 

Op het hoge duin
trotseert de eenzame den
de najaarsstormen

 

De ochtendnevel
verbergt ze niet helemaal
ik hoor ze loeien

 

Wazige schimmen
is al wat er overblijft
in de najaarsmist

 

Bulderende zee
slechts door een dijk gescheiden
van het stille dorp

 

Huilende jongen
naast een leeg konijnenhok
één dag na Kerstmis

 

Twee zwarte stippen
op pas besneeuwd weiland
roepen kra kra kra

 

Voor mij zo helder
helemaal in zwart gekleed
de grote meester

 

In concentratie
alleen helemaal alleen
de zingende boog

 

Het gevallen schot
een moment van eeuwigheid
door stilte omvat

 

Helden van weleer
niets van roem gebleven dan
wilde verhalen

 

Denkend aan morgen
in de haast geheel ontwijd
zachte vrouwenborst

 

Na heel lang wachten
zeer aarzelend toegestemd
herhaald verlangen

 

Twee groene huisjes
nog uit mijn kinderjaren
naast een torenflat

 

Naast ouder molen
wanneer ik mijn ogen sluit
zie ik mijn moeder

 

Heldere ogen
op groen geverfde bank
jonge oude man

 

Pas in mijn ziekbed
heb ik nog één begeren
frisse buitenlucht

 

Tijd om op te staan
o mijn heerlijk warme bed
de vogels zingen

 

In buitenspiegel
werd de ontwakende dag
onverwacht gezien

 

Niet alleen in zee
eten de grote vissen
de kleinere op

 

Lome vleugelslag
in laatste zonnestralen
einde van een dag

 

Alleen de meeuwen
met vis tussen hun snavel
mogen niet krijsen

 

Kleine kinderen
met zonnige gezichtjes
in een regenbui

 

Door tralies gekooid
onuitwisbaar trotse kracht
de oran-oetan

 

 

Een zomerse dag
groene kikker op een blad 
zonder te zoeken